Deprecated: mysql_pconnect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /var/www/verhalenvandordrecht/include/db.php on line 3
Donkerblauwe ogen in een doosje - uit Verhalen van Dordrecht
Home
Verhalen
van Dordrecht
Donkerblauwe ogen in een doosje

Nooit zal ik vergeten de dag, lang geleden, dat mijn eerste leven zo wreed eindigde op de stenen trap aan de Zuidendijk bij het Marisplein. Een drama dat niet alleen mijn leven drastisch veranderde, maar ook dat van drie generaties vrouwen. Maar laat ik bij het begin beginnen.
Ik kom uit Frankrijk. Wanneer ik precies geboren ben, weet ik niet. Het moet voor 1900 zijn geweest. Mijn papa was de beroemde Monsieur Jumeau. Hij noemde mij en mijn zusters, zijn Bébé's. Prachtig vond hij ons, met onze stralende donkerblauwe ogen en weelderige blonde krullen. Drie van mijn zusters en ik gingen gekleed als de vier seizoenen. Ik was Mademoiselle Winter. Ik was gekleed in een mooi bontjasje, met daaronder een schattig hoogsluitend roze fluwelen jurkje met bruine lintjes, en daaronder een broek met kant en rushes, elegante sokjes in Parijse zwartleren schoentjes. In de gaatjes in mijn oren droeg ik delicate kleine blauwe viooltjesknopjes. Alles naar de laatste Franse mode. Papa stuurde zijn meisjes op reis door heel Europa. Mijn zusters, Zomer, Lente, Herfst en ikzelf kwamen terecht in het verre Middelburg waar we de hoofdprijs vormden op een Zeeuwse bakkerstentoonstelling. Zo kwam ik in de familie van mijn huidige maman wonen, om precies te zijn bij haar overgrootvader en zijn familie.
Jarenlang stond ik hier te pronken onder een mooie stolp. Ik mocht niet spelen met mijn eerste maman, het dochtertje van de bakker; zij was nog maar een jaar oud. Ik zag haar opgroeien en toen zij ouder was, verhuisde ik met haar mee naar Dordrecht. Daar stond ik te pronk in een huis op de Krispijnseweg. Tot maman trouwde en zelf moeder werd van een dochtertje. We verhuisden weer, niet heel ver deze keer, naar de Zuidendijk. Hier mocht ik soms even onder mijn stolp vandaan en spelen met het dochtertje. Zij vond me zo lief! Ik mocht zelfs af en toe buiten een wandelingetje maken, op de arm van het meisje. Op een van deze wandelingen gebeurde het, het onvoorstelbare, we vielen op de stenen trap aan de Zuidendijk, vlakbij ons huis. Het was vreselijk, mijn hoofd was gebroken, in scherven. Het dochtertje was ontroostbaar.
Het was inmiddels oorlog geworden en de familie had het moeilijk. Er was geen tijd en geld om een nieuw hoofd voor mij te zoeken. Maman stopte mij in een dekenkist op zolder. Hier lag ik, jaar in jaar uit, zonder hoofd en zonder toekomst. Mijn mooie donkerblauwe ogen en de viooltjesknopjes lagen in een klein doosje naast mij in de kist. Ik verhuisde met maman mee van huis naar huis, bijna vergeten door de familie en het dochtertje. De tijd vergleed en het dochtertje kreeg zelf een dochtertje. Maman, nu grootmoeder, besloot dat ik weer een nieuw leven en een nieuwe toekomst moest krijgen bij het kleindochtertje. Ze ging op zoek naar een nieuw hoofd voor mij. Na lang zoeken vond ze hoofd passend voor een Bébé, bij een Dordtse poppendokter. Het hoofd - het was van Armand Marseille - was duur. Zo duur dat na familieoverleg besloten werd dat de grootmoeder en haar dochter het samen zouden betalen. Zo kreeg ik een nieuw uiterlijk en een tweede leven.
Toen de dochter van de grootmoeder mij zag, schrok ze erg. Ik zag er heel anders uit dan in haar jeugd, toen ze zo graag speelde met mijn weelderige blonde krullen en genoot van mijn stralende donkerblauwe ogen. Mijn ogen waren bruin, mijn haar bruin, lang en steil en ik had geen gaatjes in mijn oren. Alleen mijn kleren zagen er nog hetzelfde uit. Toen werd het kleindochtertje vijf jaar en kreeg ze mij cadeau van haar grootmoeder, mijn eerste maman. Zij was zich nog niet bewust van de grote waarde die ik inmiddels had door mijn al hoge leeftijd. Ze mocht van haar moeder, gezien haar geschiedenis met mij, niet met mij spelen. Op een zondag nam de grootmoeder mij bij het koffiedrinken op schoot en vertelde ze mijn levensverhaal aan haar dochter en kleindochtertje. De grootmoeder was gelukkig. Kort na deze zondag overleed ze, mijn eerste maman.
Mijn leven ging door bij de kleindochter. Ik verhuisde met haar van huis naar huis, van stad naar stad. Soms bracht ik jaren door liggend in een doos. Nu niet meer. Ik pronk alweer vele jaren op de antieke commode in haar huis. Met mijn fluwelen japon, bontjas en zwartleren schoentjes. En soms, heel soms, denk ik terug aan die vreselijke dag op de stenen trap en mijn stralende donkerblauwe ogen in een doosje.

Bébé Jumeau
(opgetekend door A. van der Linde en Nettie Dekker)