Home
Verhalen
van Dordrecht
Plattegrond
Verhalen
van Dordrecht
 
Vikingen
 
Een vloot drakarschepen met aan boord een kleine tweehonderdtal Noormannen voer door het deltagebied bij de Noordzeekust. Harald keek nieuwsgierig in het rond. Tot nu toe hadden ze niet veel bijzonders gezien. Het land was erg vlak, met weinig grote nederzettingen. De meeste gehuchtjes bestonden uit wat familiegemeenschappen. De bevolking leefde op de terpen en bezat wat kleine vaartuigen om mee te vissen.
Harald voelde dat het plotseling ijzig koud werd en sloeg zijn mantel wat dichter om zijn lichaam. De lucht werd donkerder en donkerder. Een man naast hem somberde hardop dat het strak wel een heksenketel zou worden. In het Oosten was het aardedonker en al gauw werd alles om hen heen ook zo zwart als de nacht. Plotseling begon het geweldig te onweren. Het bliksemde nu en dan zo fel, dat de inktzwarte aarde verlicht leek door gewoon daglicht. De mannen probeerden zich zo goed en zo kwaad als het ging beschutting te zoeken in de open boten. Hoewel hij het niet wilde laten merken tussen de stoere mannen, had Harald het te kwaad. Hij keek naar Sven, de leider van de boot. Zou hij nog weten hoe het nu verder moest?
De mannen baden tot Thor, de god van de donder en heerser over de winden en ze smeekten hem om minder hard met zijn hamer op de aarde te slaan. Ook Ran werd niet vergeten. Ran, de wrede en gevoelloze godin van de woelige baren. Zou zij hen nu willen helpen? Het leek er niet op. Windvlagen teisterden het water en de schuimkoppen joegen over de watervlakte. De golven beukten tegen de boot. Nadat de zwaarste onweersbuien voorbij waren gedreven, bleef het nog lang stormen. Het contact met de andere schepen waren ze kwijt, evenals de koers. Bovendien was de omgeving volledig veranderd. Om hen heen was nu vrijwel alleen maar water, terwijl er voor de storm af en toe nog land te zien was geweest. Ze leken verloren in de woeste watervlakte. De boot was vol water gelopen, bakens waren onvindbaar en het roeien leek zinloos. Toch bleven ze doorgaan, want het was erg belangrijk de koers weer terug te vinden. Harald roeide als een bezetene, hij moest zich deze reis als man bewijzen en wilde daarom zeker niet onderdoen voor de andere mannen. Maar de vermoeidheid begon toch langzaamaan zijn tol te eisen, vellen kwamen in zijn handen en de koude was nu en dan zo verschrikkelijk, dat hij op een gegeven moment wenste dat hij nooit aan de reis was begonnen.
Plotseling was het over. Geen regen meer, geen storm, geen golven die de boot deden overhellen en geen spetters schuim meer die het zicht belemmerden. Er viel een ongelofelijke stilte. De omgeving klaarde op. De watervlakte bleef echter even groot. Er waren geen herkenbare bakens meer. Oudgedienden waren volkomen de weg kwijt. Na lang beraad besloten de mannen dat ze veel zuidelijker uitgekomen waren dan de bedoeling was. Zij voeren wel over een rivier, maar het was duidelijk dat men het eigenlijke doel, Dorestad, nooit zou bereiken. Via de Waal en de Devel kwamen ze in de Dubbel terecht en nu voeren ze verder naar het Zuiden. Toen ze de Maas bereikten, besloot Sven dat ze té zuidelijk zaten. Zo zouden ze nooit de rest van de vloot terugvinden. Ze wendden de steven en voeren de Dubbel op, nu naar het Noorden. Bij de splitsing werd besloten om niet dezelfde route te nemen, maar te proberen een stuk af te snijden door het oostelijke stroompje te nemen, de Thure. Zo zouden ze via de Merwede weer verder naar het Noorden kunnen.
Wat Harald betrof kon dat nog even wachten, want hij was nu toch wel echt kapot. Aan het eind van de Thure, vlak voordat de Thure de Merwede in zou stromen, zagen ze een nederzetting liggen. Deze bestond uit vissershutten en boerenschuren. Het land was opgehoogd, geleemd en omdijkt met kleilagen tegen het bij vloed wassende water van het uitgediepte stroompje. Het veen erachter was ontgonnen en er was enige landbouw en veeteelt, voornamelijk bestaand uit geiten. Harald zag ook wat grotere hutten, vermoedelijk van handelslui en ambachtslieden.
Het volk dat hier woonde was verwant aan de Noormannen, maar ze hadden Thor, Freya en Ran afgezworen. Ze behoorden nu tot de Christelijke kerk. En volgens die kerk leefden ze nu in het jaar 873 na Christus. Sven, Harald en de andere mannen moesten niets hebben van dat geloof. Harald kon er woedend om worden. Hoe konden de Friezen hun goden zo verloochenen? Hij wist wel hoe hij ze weer terug zou laten keren tot hun oude geloof... Hij zou elk klooster en elke kerk wel willen plunderen en platbranden. Dan zouden de Friezen in ieder geval niet meer die Christus aanhangen, en weer de leer van Thor, Freya en Loki aannemen. Uiteindelijk zouden alle families elkaar dan weer treffen in het Walhalla...
Harald schrok op uit zijn overpeinzingen. Sven wilde de voorraden aanvullen. Handel drijven deden de mannen uit het Noorden sinds lang niet meer. Als ze iets nodig hadden bij het reizen dan plunderden ze dat gewoon. Zo ook nu. Sven gaf opdracht om voor de eerste hutten aan te leggen, en hoefde geen bevel te geven om van boord te gaan en in te slaan. Krijgskreten slakend gingen zo'n dertig man van boord en trokken gezamenlijk op naar de hutten en schuren van het plaatsje Thuredrecht. Ieder die op hun pad kwam, werd omgelegd door hun Noormannenbijl. Het maakte niet uit of het mannen, vrouwen of kinderen waren. Hoewel…, vrouwen en meisjes werden eerst verkracht en daarna afgemaakt. Alles wat bruikbaar, eetbaar en van waarde was, werd uit de hutten en huizen en schuren gehaald en meegenomen naar het schip.
Wat achterafgelegen op de hoogte van de eerste huizen, bevond zich een kleine hut met wat grazende geiten ervoor. Sven had Harald bevolen naar deze hut te gaan om daar zijn geluk te beproeven. Het zou de eerste keer worden dat Harald zich zou bewijzen als waar Noormankrijger. Toen hij bij de hut aankwam, hoorde hij een klein kind huilen. Hij rukte de pels die als afsluiting diende, weg en wilde de hut binnenstappen. Maar hij was nog niet binnen of hij werd geschopt en geslagen door een frêle figuurtje. Hoewel het donker was in de hut, zag hij haar lange blonde haren en opvallende blauwe ogen. Zijn korte zwaard viel uit zijn hand en zijn schild klapte tegen zijn buik. Uiteindelijk kon hij het meisje bij haar polsen pakken, haar omdraaien en tegen zich aandrukken, zodanig dat zij machteloos werd.
Nu pas zag hij goed hoe mooi ze was. Zij had prachtig lang haar en een leuk, regelmatig gezicht, met helblauwe ogen. Zij keek verslagen en boos tegelijk. Hij voelde haar borsten, die stevig waren en nogal vooruit staken in haar kleding. Zij probeerde hem zodanig te draaien, dat hij het kind niet zag, dat in een soort mandje lag en niet meer schreide. Het wezentje keek verbaasd naar het licht dat door de opening naar binnen stroomde.
Harald had de anderen op het schip al meerdere keren horen vertellen wat men met de vrouwen deed. Nu was het zijn beurt om zijn overwicht en opgekropte dierlijke instincten te botvieren. Nu stond hij er dan eindelijk ook voor. Hij voelde een stroom van begeerte door zich heen gaan. Hij werkte haar tegen de grond in een hoek van de hut waar een geriefelijke legerstede lag. Hij rukte met veel moeite haar overkleding uit, terwijl zij hem krabde en beet. Met haar onderkleed had hij wat minder moeite. Maar zij gaf zich niet zomaar over. Nadat hij haar bijna plette met zijn lichaam, had hij zijn onderlijf bloot gekregen. Haar polsen hield hij met een hand vast. Hij merkte nu, uitgerekend nu, dat hij grotere handen had gekregen door het zeemansleven. Hij voelde zich geheel en al opgewonden, zijn hart bonsde, zijn lid was een paal. Instinctmatig duwde hij het in de holte die hij met zijn andere hand had afgetast. Haar gezicht was angstig, en hij zag ook dat zij pijn had. Maar door hun bewegingen kreeg hij de ervaringen, die hij als jongen ook gevoeld had tijdens het verkennen van zijn eigen lichaam. Hij bewoog zich intensiever en hij merkte dat haar gelaatsuitdrukking anders werd, minder angstig.
Uiteindelijk leek het wel of hij uit zijn vel sprong, zijn lid klapte. Tegelijk zag hij een verandering op het gezicht van het meisje. Ze sloot even de ogen. Maar toch, zij had een van haar handen los gekregen en rukte aan de gesp van zijn mantel, die hij losjes om had. De gesp begaf het en zij hield de helft in haar handen. Meteen gaf zij hem met de gesp een klap op zijn gezicht. Het bloed spoot uit een snee in zijn wang en uit zijn neus. Harald was verbaasd en had eigenlijk zin om te blijven liggen. Maar beschaamd dat hij zich door het meisje af had laten troeven, stond hij op en sjorde zijn broek vast. Het meisje bekommerde zich niet meer om hem, maar om het kind, dat weer in schreien was uitgebarsten.
Hoe onverdragelijk mooi ze eigenlijk was, zag hij pas nu, zoals zij daar praktisch naakt stond. Maar hij besloot geen aandacht meer aan haar te besteden, want Sven verwachtte dat hij buit zou meenemen en zeker proviand, dus hij moest wat regelen. Maar toch, terwijl hij dat bedacht kwam er iets in hem naar boven. Het was niet alleen het bevredigde gevoel, of het feit dat hij wat loom was. Nee, hij had duidelijk kriebels in zijn buik voor het lieftallige naakte meisje dat nu voor zijn ogen stond. Het liefst had hij haar meegenomen, maar ze kon beslist niet als slavin mee. En zo'n mooi ding doden wilde hij niet.
Hij pakte zijn zwaard, bijl en schild op en rukte daarna voor de vorm een stel hutpalen uit de grond, waarmee hij de voorste muren omdreunde. Daarna rukte hij nog een deel van het dak kapot, zodat het leek of de hut in elkaar was gezakt. Buiten gekomen liet hij de geiten uit de omheining los. Hij stak er een dood. Het bloed gutste over zijn zwaard. Daarna liep hij weer naar binnen en aaide het terugdeinzende meisje over het lange haar. Hij sprak enkele geruststellende woorden tegen haar. Zij begreep hem wonderlijk genoeg, en ging daarna helemaal op in het sussen van de baby.
Hij zocht naar vuur, want als echte man moest hij niet alleen plunderen, verkrachten en doden, maar natuurlijk ook brand stichten. Hij liep naar het broodoventje dat een eindje van de hut afstonden en haalde er een brandende twijg uit. De hooiberg ging in vlammen op. De wind stond van de hut af, dus er was geen gevaar dat die vlam zou vatten.
Door ook nog eens een wrakke schuur omver te werpen, liet hij zien hoe woest hij te keer was gegaan. Als buit nam hij een grote big mee. Het dier schreeuwde als een speenvarken. Hij kwam tegelijk met Sven bij het schip aan. Sven trok een kar beladen met leren zakken met zich mee, waarin smidsgereedschap, munten en mooi bewerkte paardentooien bleken te zitten.
De andere mannen keerden nu ook terug. Overal langs de dijk waren rookwolken en vlammen te zien. Er klonk overal gejammer, vermoedelijk van de gewonden die nu omkwamen in de vuurhaarden. In de verte vluchtten enkele figuurtjes angstig weg.
Sven keek van Harald naar de hut en weer terug naar Harald. Zijn bulderende lach weerklonk door de rokende puinhopen van het gehuchtje. De rook bij de hut deed hem geloven dat de hut zelf brandde. Bovendien zat er bloed op het korte zwaard van Harald. Sven toonde zich tevreden. Zijn broer was ingewijd... Hij was nieuwsgierig, en vroeg of ze mooi was geweest en 'of het hem gelukt was'. Harald knikte enthousiast, maar ging er verder niet op in. Sven liet hem maar, ook hij had zoiets meegemaakt en wilde er daarom niet veel woorden aan vuil maken. Binnen enkele uren was de nederzetting bijna volledig van de kaart gewist en kon de avontuurlijke tocht weer verder gaan. Ze hadden in dat Thuredrecht met één schip net zoveel buit behaald, als vermoedelijk in Dorestad mogelijk was geweest. Daar zouden ze anders met vijf schepen naartoe zijn gevaren, waardoor de spoeling wellicht was geworden. En hoewel Dorestad groter en rijker was, hadden ze daar zeker ook op meer tegenstand gestuit. Hier was het van leien dakje gegaan.
Na een laatste drinkgelag van bier uit gestolen kruiken, besloot Sven dat ze met hun aanzienlijke buit terug naar huis zouden keren. Zijn schip had bewezen zeevaardig genoeg te zijn op een grote reis. Harald was blij dat hij zijn vuurdoop achter de rug had. Maar hij was er niet groots op. Een dubbel gevoel overheerste. Zijn optreden was niet erg hard geweest, daar was hij blij om en ook weer niet. Een Viking had buiten zijn eigen streek een gevreesde reputatie. En van snoeven hield hij niet. De Noormannen, zoals zij genoemd werden, hadden nu eenmaal de naam barbaars te zijn en die moesten ze hooghouden.
De belevenis met het meisje bleef door Haralds hoofd spoken. Wat was ze toch mooi! Hij had haar graag in zijn geboorteland ontmoet. Zoals hij nu gedaan had, en wat heel gewoon was op hun rooftochten, bevredigde hem niet. Zij zou hem misschien wel haten, en dat wilde hij eigenlijk niet. Hij had haar mee moeten nemen. Zijn vader had het ook gedaan met zijn moeder. Zijn moeder was een noordeling, weliswaar uit Zweden, maar toch... Dit meisje was een Friezin. Die nam je niet mee. Hoewel…, het gebeurde toch wel eens, want in zijn streek waren enkele Friese slavinnen.
Zo mijmerde hij de hele terugreis door. Hij droomde over haar mooie gezichtje en prachtige lichaam. De meisjes bij hem thuis waren ook wel mooi, maar meestal waren zij jonger of ouder dan hij, en hij had nooit zo aan hen gedacht als nu aan dit meisje.
Bij terugkomst op zijn geboortegrond liet hij niets merken. Zijn dorpsgenoten dachten hooguit dat hij wat stiller was, omdat hij nu een echte man was.
Steeds als Harald uitvoer naar het Zuiden, bad hij stiekem tot Thor en Ran en smeekte hij hen in stilte om hem weer bij die mooie Friezin brengen in dat verre Thuredrecht...

Theo Braat




drakarschepen
Thor
als man bewijzen
nederzetting
de Christelijke kerk
plunderden
krabde en beet
Het bloed spoot
het kind
vuur
de nederzetting
Noormannen
uitvoer